Wet Werk en Bijstand

Laatst bijgewerkt op: 13-6-2012

 

Iedereen die in Nederland woont en die geen of een te laag inkomen heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan een uitkering krijgen op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB).

 

Aanvraag

Om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering moet u zich inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf (dit kan via www.werk.nl of bij een regionale vestiging van het WERKbedrijf). Het UWV stuurt de aanvraag dan door naar de gemeente, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WWB. De gemeente beslist binnen 8 weken over uw aanvraag door middel van een beschikking. U kunt wel alvast een voorschot krijgen op uw uitkering. Deze wordt 4 weken na uw aanvraag uitgekeerd. Als vervolgens blijkt dat u geen recht op bijstand hebt, dient u het voorschot wel terug te betalen!

U kunt onder andere géén beroep doen op de WWB als:

  • Uw vermogen hoger is dan het maximaal toegestane bedrag (dit wordt ieder jaar vastgesteld). Onder dit vermogen valt niet alleen geld, maar ook bijvoorbeeld het bezit van een huis of een auto.
  • U gedetineerd bent.

Huishoudinkomenstoets met terugwerkende kracht weer afgeschaft!
Let op! De Huishoudinkomenstoets, die per 1 januari 2012 van kracht zou zijn voor nieuwe uitkeringen en per 1 juli voor bestaande uitkeringen, is afgeschaft. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft alle gemeenten verzocht om direct te stoppen met de uitvoering van de Huishoudinkomenstoets en aanvragen die al beoordeeld zijn op grond van de regels van de Huishoudinkomenstoets opnieuw te beoordelen. Lees de brief.

Hoogte

De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de samenstelling van uw huishouden.

  • tussen 18 – 65 jaar en gehuwd / samenwonend: samen maximaal 100% van het minimumloon
  • tussen 18 – 65 jaar en alleenstaande ouder: 70% van het minimumloon
  • tussen 18 – 65 jaar, alleenstaand: 50% van het minimumloon
  • 65 jaar of ouder: via de ‘aanvullende inkomensvoorziening ouderen’ (Aio) wordt uw Aow-uitkering aangevuld.

Gemeenten kunnen alleenstaanden en alleenstaande ouders daarnaast een toeslag geven van maximaal 20%. Ook als u al langere tijd van een minimum moet leven en er ook geen uitzicht is op inkomensverbetering, kunt u in aanmerking komen voor een toeslag: de ‘langdurigheidstoeslag’.

Plichten

Als u een bijstandsuitkering ontvangt bent u verplicht te solliciteren naar werk. U kunt tijdelijk van deze sollicitatieplicht ontheven worden vanwege:

  • Individuele medische of sociale omstandigheden.
  • Ziekte of zorg voor een ziek familielid.
  • Zorg voor 1 of meer kinderen jonger dan 5 jaar, indien u alleenstaande ouder bent. U hebt dan nog wel een scholingsplicht.

Ook bent u verplicht om mee te werken aan de ondersteuningsprogramma’s die uw gemeente kan aanbieden en moet u huisbezoeken en onderzoeken naar uw medische of psychologische gesteldheid toestaan.

U mag als u een sollicitatieplicht heeft maximaal 4 weken per jaar op vakantie met behoud van uw uitkering. U moet deze vakantie melden bij de gemeente.

Bijzondere bijstand

Naast de algemene bijstandsuitkering kunt u als u voor bijzondere kosten komt te staan ook bijzondere bijstand aanvragen. De gemeente kan zelf de voorwaarden voor het toekennen van bijzondere bijstand vaststellen.

Ziekte en re-integratie

Laatst bijgewerkt op: 16-8-2012

 

Er zijn verschillende regelingen, zoals de Ziektewet en de Wet verbetering Poortwachter, die betrekking hebben op uw rechten en plichten in het proces van ziekmelding tot re-integratie.

 

Wanneer u ziek bent, heeft u in de meeste gevallen recht op loondoorbetaling door uw werkgever of u krijgt een Ziektewet-uitkering van het UWV. Vervolgens regelt de Wet verbetering Poortwachter het proces van re-integreren op een werkplek.

Ziekmelding

Als u ziek bent en dus uw werk niet meer kunt doen, moet u dit zo snel mogelijk melden bij uw werkgever. De werkgever geeft de ziekmelding door aan de bedrijfsarts. De bedrijfsarts beoordeelt of u inderdaad niet kunt werken.

De bedrijfsarts

Als u zich ziek heeft gemeld, zal de bedrijfsarts u meestal voor een gesprek uitnodigen. Hierbij mag u uiteraard een familielid, vriend of andere ondersteuner meenemen. De bedrijfsarts is een arts die gespecialiseerd is in de relatie tussen arbeid en gezondheid. De bedrijfsarts beoordeelt of de werknemer door zijn ziekte al dan niet in staat is zijn eigen werk te doen. Volgens de wet is de bedrijfsarts onafhankelijk.

Een bedrijfsarts heeft drie taken:

  • Adviseren over de arbeidsongeschiktheid van een werknemer voor zijn functie.
  • Bekijken of de zieke werknemer ook ander passend werk kan doen.
  • Bemiddelen bij het aanpassen van de werkzaamheden.

De bedrijfsarts kan u niet verplichten een medisch onderzoek, behandeling of operatie te ondergaan. Ook niet als u daardoor sneller weer aan het werk kan gaan. De bedrijfsarts kan u wel doorverwijzen naar een medisch specialist of paramedicus (bijvoorbeeld een fysiotherapeut) en u heeft wel de plicht alles te doen om uw herstel te bespoedigen.

Privacy

Uw werkgever behoort uw privacy in acht te nemen. Dat betekent dat uw werkgever u niet mag vragen welke ziekte u heeft. Als uw werkgever het toch doet, mag u hierover zwijgen.

Uw bedrijfsarts mag geen medische informatie aan uw werkgever geven. Hij heeft een beroepsgeheim. Wel mag de bedrijfsarts uw werkgever over aanpassingen voor het werk adviseren en over de beperkingen die u heeft. Ook mag uw bedrijfsarts uw werkgever vertellen of uw ziekte met uw werksituatie te maken heeft.

De bedrijfsarts kan – als u dat wilt – bij uw behandelend arts informatie vragen. Hij heeft hiervoor uw uitdrukkelijke toestemming nodig. Uw behandelend arts is immers ook gebonden aan zijn beroepsgeheim. Vraagt u altijd een kopie van de informatie die uw behandelend arts aan de bedrijfsarts stuurde.

Loondoorbetaling

Als u zich terecht ziek heeft gemeld moet uw werkgever het loon doorbetalen. In de eerste twee ziektejaren moet uw werkgever tenminste 70% van het loon doorbetalen, waarbij hij in het eerste jaar van ziekte niet minder mag betalen dan het minimumloon tenzij uw normale loon lager is dan het minimumloon, dan moet de werkgever uw gewone loon betalen. In de CAO kan afgesproken zijn dat het eerste jaar van ziekte zelfs 100% van het loon wordt doorbetaald. In het tweede jaar is het vrijwel altijd 70%. Aan het einde van die twee jaar kunt u een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvragen. Dat is geregeld in de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA).

Wanneer u recht heeft op een ziektewet-uitkering van het UWV mag de werkgever die uitkering op het loon in mindering brengen. In de praktijk is het vaak handig het UWV toestemming te geven de uitkering aan de werkgever te betalen, die op zijn beurt u dan het salaris doorbetaalt.

Het deskundigenoordeel

Als uw werkgever vindt dat u weer beter bent en aan het werk kunt terwijl u zelf vindt dat u nog ziek bent, kunt u bij het UWV een deskundigenoordeel aanvragen. Het UWV zal beoordelen of u al dan niet in staat bent uw eigen werk te doen. Blijkt u ziek te zijn, dan heeft u recht op doorbetaling van loon maar bent u volgens het UWV niet ziek, dan heeft u werk geweigerd en mag de werkgever het loon inhouden. Dit deskundigenoordeel is niet bindend, maar in de praktijk wordt er door de rechter veel waarde aan gehecht.

Het is ook mogelijk een deskundigenoordeel te vragen aan het UWV wanneer u van mening bent dat de werkgever zich onvoldoende inspant om u te re-integreren. Op zijn beurt kan de werkgever het UWV vragen te oordelen over uw re-integratieinspanning. Ten slotte is het mogelijk het UWV te vragen of een aangepaste functie wel of niet door u verricht kan worden. Probeer er altijd eerst zelf met de werkgever uit te komen voor u naar het UWV stapt.

Ziektewet

U krijgt een Ziektewet-uitkering in de volgende gevallen:

  • Uw arbeidsovereenkomst loopt af tijdens uw ziekte.
  • U bent oproepkracht of uitzendkracht en hebt bij ziekte geen recht op loondoorbetaling.
  • U krijgt een WW-uitkering en bent langer dan 13 weken ziek.
  • U bent thuiswerker, stagiair, provisiewerker of freelancer.
  • U bent als zelfstandige vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet.

In een aantal andere gevallen kan uw werkgever een Ziektewet-uitkering voor u aanvragen. U merkt daar zelf meestal niets van omdat uw werkgever uw loon gewoon doorbetaalt. Dit is het geval als:

  • U ziek bent door uw zwangerschap of bevalling.
  • U ziek bent door orgaandonatie.
  • U een ziekte of een handicap heeft en binnen 5 jaar na het begin van uw baan ziek wordt.

Hoogte en duur

U kunt een Ziektewetuitkering aanvragen bij het UWV. Het UWV moet binnen vier weken over uw aanvraag beslissen.

De Ziektewet-uitkering is meestal 70% van uw loon en kan maximaal twee jaar duren. Ziekteperioden waartussen minder dan 4 weken zit worden bij elkaar opgeteld. De tijd van een bevallingsuitkering telt niet mee voor de berekening van de duur van de ziektewetuitkering.

Wet verbetering Poortwachter

Als u langer ziek blijft, krijgt u te maken met de Wet verbetering Poortwachter. Deze wet is gericht op een goede re-integratie van de zieke werknemer. Samen met uw werkgever moet u er alles aan doen om zo snel mogelijk weer aan het werk te kunnen. De bedrijfsarts of arbodienst ondersteunt u daarbij. Uw werkgever en u moeten zich houden aan het volgende tijdspad.

  • Binnen 1 week: de werkgever meldt u ziek bij de bedrijfsarts of arbodienst
  • Binnen 6 weken: de bedrijfsarts of arbodienst maakt een probleemanalyse

In een probleemanalyse wordt uw medische toestand beschreven. De bedrijfsarts gaat na of het mogelijk is om naar uw werk terug te keren. Hij zal hierover adviseren. Verder gaat hij na welke beperkingen u bij het werken heeft. Uw werkgever ontvangt niet het medische gedeelte van de probleemanalyse, waarin staat wat u mankeert. Als u het goed vindt, mag het natuurlijk wel. Wel krijgt uw werkgever te horen welke beperkingen u heeft voor het werk. Er kunnen goede redenen zijn om later dan zes weken een probleemanalyse op te stellen. Dat is toegestaan.

  • Binnen 8 weken: u stelt met uw werkgever een plan van aanpak vast.

Er moet overeenstemming over het plan van aanpak bestaan. Een plan van aanpak bevat een aantal elementen:

  1. Aanstelling van een casemanager. In de praktijk is de casemanager meestal de leidinggevende of personeelsfunctionaris. Maar iedereen kan casemanager zijn. De casemanager begeleidt het proces van werkhervatting. Ook verzorgt de casemanager het contact tussen u, uw werkgever en de bedrijfsarts.
  2. Activiteiten rondom werkhervatting. Eerst wordt het doel voor de werkhervatting vastgesteld. Daarna bespreekt u met uw werkgever wat er nodig is om dit doel te behalen. Dat kunnen allerlei activiteiten zijn. Bijvoorbeeld een cursus of training, aanpassing van de werkplek, een afspraak over werkhervatting bij een ander bedrijf dat betere mogelijkheden voor passend werk heeft. De afspraken hierover worden schriftelijk vastgelegd.
  3. Afspraken: Afspraken over momenten waarop wordt bekeken hoe de werkhervatting verloopt. In ieder geval moet er elke 6 weken een gesprek tussen werkgever en werknemer zijn.
  • Uiterlijk in week 42 van de ziekte: uw werkgever meldt u ziek bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).
  • Uiterlijk 3 maanden voor het einde van het tweede ziektejaar: u dient een aanvraag in voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Bij de aanvraag stuurt u een re-integratieverslag mee. In het verslag moet staan wat er is gedaan om u weer aan het werk te helpen. Uw werkgever, de bedrijfsarts en u: ieder schrijft een deel. Maak hier goed gebruik van. U kunt er uw ervaringen kwijt. Het is een gemiste kans als u dat niet doet.

Tips!

  • Het is belangrijk dat u de casemanager vertrouwt. U kunt moeite hebben met de persoon van de casemanager. Of u vindt dat hij zijn taak niet goed uitoefent. Bespreek dit met uw werkgever en vraag om een andere casemanager. Dat is in uw belang. Een goede casemanager oefent een positieve invloed uit op het werkhervattingsproces
  • Als u er met uw werkgever niet uitkomt, kunt u bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een deskundigenoordeel (second opinion) aanvragen. U kunt het UWV vragen of een bepaalde functie passend is. Ook kunt u het UWV vragen te beoordelen of uw werkgever voldoende aan uw reïntegratie heeft meegewerkt. Als u een deskundigenoordeel aanvraagt moet u er rekening mee houden dat uw werkgever u dit misschien niet in dank afneemt. De arbeidsrelatie kan hierdoor verslechteren
  • Uit de praktijk blijkt dat bij reïntegratie de samenwerking tussen werkgever en werknemer nogal eens te wensen overlaat. Het is heel belangrijk om te zorgen voor een goede samenwerking en te voorkomen dat er een arbeidsconflict ontstaat
  • Let u erop dat u kopieën krijgt van de probleemanalyse, het plan van aanpak, de bijstellingen van het plan van aanpak, het verslag van ieder bezoek aan de arbodienst, de brieven die uw bedrijfsarts naar de werkgever stuurt, kortom van alle schriftelijke stukken

Zodra het mogelijk is moet u weer op uw werk verschijnen. U hoeft niet te wachten totdat u uw eigen werk weer kan doen. Dat betekent dat uw werkgever u passend werk moet aanbieden. Dat is werk dat u met uw gezondheidssituatie, opleiding en ervaring kunt doen. Deze verplichting gaat ver. Aan de ene kant bent u verplicht om dit passende werk uit te voeren. Aan de andere kant is uw werkgever verplicht om ook passend werk aan te bieden. Zelfs als hij daarvoor zijn organisatie moet aanpassen. Als uw werkgever zelf geen passend werk heeft, moet hij voor u passend werk bij een andere organisatie zoeken.

Als u als werknemer geen passend werk accepteert, dan kan dit nadelige gevolgen hebben:

  • U heeft (tijdelijk) geen recht op loondoorbetaling
  • Het ontslagverbod tijdens ziekte geldt dan niet
  • U kunt uw recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verspelen

Tips!

  • U staat sterker als u zelf in uw organisatie nagaat wat voor passend werk u zou kunnen doen. U staat nog sterker als u per brief met een concreet voorstel komt. Uw werkgever moet dan goede redenen hebben om uw voorstel af te wijzen. Als uw werkgever niet op uw brief reageert, en ook niet op een tweede aangetekende brief, kunt uw verzoek om passend werk aan de rechter voorleggen
  • Soms kan uw werkgever u geen passend werk aanbieden, of werk dat u niet passend vindt. U kunt dan bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen hierover een deskundigenoordeel (second opinion) aanvragen
  • Als u een deskundigenoordeel aanvraagt moet u er rekening mee houden dat uw werkgever u dit misschien niet in dank afneemt. De arbeidsrelatie kan hierdoor verslechteren
  • Denk goed na over het advies van uw werkgever of bedrijfsarts om wegens gezondheidsredenen minder te gaan werken. Dit heeft niet alleen gevolgen voor uw inkomen, maar ook voor een (eventueel) latere arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Klachten Uwv

Als u niet goed bent behandeld door het UWV dan kunt u een klacht indienen. Meldt uw klacht bij De Ombudsman via het Klachtenportaal.

Om uw klacht zelf op te lossen kunt u gebruik maken van ons: Stappenplan Klacht indienen bij het UWV

Bezwaar en beroep Uwv

Als u het niet eens bent met de hoogte van uw uitkering of u krijgt ten onrechte helemaal geen uitkering, kunt u in bezwaar gaan. Dat doet u door bij het UWV een bezwaarschrift in te dienen. Denkt u er goed aan dat de termijn voor het indienen van een ZW- bezwaarschrift erg kort is, namelijk twee weken.  Als het Uwv desondanks haar besluit niet wijzigt, kunt u in beroep gaan tegen het besluit bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht. Stelt de rechter u ook in het ongelijk, dan kunt u in hoger beroep gaan bij de Centrale Raad van beroep. Dat is de hoogste rechter in sociale zekerheidsrechtzaken.

Werkloosheidswet

Laatst bijgewerkt op: 16-8-2012

 

Wie werkloos is kan gedurende een bepaalde tijd, afhankelijk van het arbeidsverleden, een uitkering krijgen op grond van de Werkloosheidswet (WW).

 

In de Werkloosheidswet (WW) is geregeld dat u een inkomen krijgt wanneer u buiten uw schuld uw baan (gedeeltelijk) verliest en op zoek moet naar een nieuwe baan. Het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is verantwoordelijk voor de beoordeling en de uitkering.

Voorwaarden
U krijgt een WW-uitkering als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • U bent verzekerd voor werkloosheid. Dit is meestal zo als u bij een werkgever in dienst bent of was. Als u 65 jaar of ouder bent, bent u niet meer verzekerd.
  • U heeft in de periode vóór uw werkloosheid 26 van de 36 weken gewerkt. Dit is de wekeneis. Voor musici en artiesten is het soms genoeg als zij in in de laatste 39 weken 16 weken hebben gewerkt.
  • U verliest minimaal 5 uur van uw arbeidsuren per week en u heeft geen recht op loon over die uren. Dus ook als u een deel van uw baan kwijtraakt kunt u een WW-uitkering aanvragen. Werkte u gemiddeld minder dan 10 uur per week? Dan bent u werkloos als u minimaal de helft van dit aantal uren en het loon over die uren kwijtraakt. Overuren of tijdelijk extra gewerkte uren tellen meestal niet mee.
  • U bent niet door uw eigen schuld werkloos geworden. Als u door uw eigen schuld werkloos bent geworden krijgt u mogelijk geen WW-uitkering.
  • U bent direct beschikbaar voor uw nieuwe baan.

Aanvraag
Om een WW-uitkering aan te kunnen vragen bij het UWV moet u zich inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf (dit kan via www.werk.nl of bij een regionale vestiging van het WERKbedrijf).

Beslissing
Heeft u uiterlijk op de eerste dag van uw werkloosheid de aanvraag volledig ingediend, dan krijgt u uiterlijk 4 weken later de beslissing van het UWV en als u in aanmerking komt voor een Ww-uitkering ook uw eerste betaling. Duurt de beslissing over de aanvraag langer dan kunt u een voorschot krijgen op uw uitkering.

Let op! U moet dit uiteraard terugbetalen als blijkt dat u geen recht hebt op een uitkering.

De beslissing over uw uitkering bevat de volgende informatie:

  • Hoe hoog uw uitkering is
  • Hoe lang uw uitkering duurt

Duur en hoogte
Een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden en maximaal 38 maanden (3 jaar en 2 maanden) afhankelijk van hoe lang u al werkt. Als u aan de bovengenoemde wekeneis voldoet krijgt u in ieder geval een ww-uitkering voor de minimale duur van 3 maanden. Heeft u daarnaast in de de laatste 5 kalenderjaren voordat u werkloos werd minimaal 4 kalenderjaren gewerkt en heeft u daarbij in elk van die 4 jaren minimaal over 52 dagen loon ontvangen? Dan voldoet u ook aan de jareneis. Dit betekent dat u in aanmerking komt voor een langere periode Ww-uitkering. Uw totale Ww-uitkering duurt dan in maanden even lang als uw arbeidsverleden in jaren.

Het berekenen van uw arbeidsverleden is echter niet eenvoudig. Het UWV hanteert de volgende begrippen:

  1. Het feitelijke arbeidsverleden; dit bestaat uit het aantal volledige kalenderjaren vanaf 1998 waarin u ten minste 52 dagen per jaar in loondienst bent geweest. Het jaar waarin u werkloos werd telt niet mee.
  2. Het fictief arbeidsverleden; dit bestaat uit de jaren vanaf het jaar dat u 18 werd tot 1998. Werd u in of na 1998 18 jaar, dan geld het fictief arbeidsverleden dus niet.
  3. Het totale arbeidsverleden tot slot is de som van uw feitelijk en fictief arbeidsverleden. Op basis van het totale arbeidsverleden weet u de duur van uw Ww-uitkering.

Voorbeeld 1:
In 2010 verliest Jan zijn baan. Hij is dan 42 jaar en heeft vanaf zijn 20ste (dus vanaf 1988) altijd gewerkt. Zijn arbeidsverleden is:

  • Feitelijk: 1998 t/m 2009 = 12 jaar
  • Fictief: 1998 – (het geboortejaar van Jan) 1968 – 18 = 12 jaar
  • Totaal: 12 + 12 = 24 jaar

Jan heeft een totaal arbeidsverleden van 24 jaar en heeft dus maximaal 24 maanden recht op een Ww-uitkering.

Voorbeeld 2:
In 2010 verliest Marije haar baan. Zij is dan 26 en heeft vanaf haar 16de (dus vanaf 2000) regelmatig in deeltijd gewerkt naast haar studie en later in voltijd maar ze heeft tussendoor ook een jaar niet gewerkt omdat zij op reis was. Haar arbeidsverleden is:

  • Feitelijk: 2000 t/m 2009 – 1 jaar reizen = 9 jaar
  • Fictief: Marije heeft geen fictief arbeidsverleden
  • Totaal: 9 jaar

Marije heeft een totaal arbeidsverkeden van 9 jaar en heeft dus maximaal 9 maanden recht op ww-uitkering.

Let op: Voor het arbeidsverleden tellen soms ook (delen van) jaren mee waarin u:

  • zorgde voor een kind jonger dan 5 jaar, of voor een zieke of gehandicapte;
  • onbetaald verlof opnam;
  • een volledige WIA- of WAO-uitkering kreeg;
  • in andere landen werkte.

Een WW-uitkering bedraagt de eerste 2 maanden 75% van uw laatstverdiende loon en daarna 70% van uw laatstverdiende loon (tot een maximumbedrag). Als u hiermee onder het sociaal minimum komt dan kunt u een toeslag op uw uitkering aanvragen bij het UWV.

Rechten en plichten
Om uw uitkering te houden moet u actief op zoek naar werk. Er worden hierover afspraken met u gemaakt door de werkcoach van het WERKbedrijf. Deze afspraken zijn vastgelegd in uw persoonlijke werkplan, dat u kunt inzien via www.werk.nl. U moet in uw persoonlijke digitale werkmap op deze site ook uw CV en sollicitatiebrieven bewaren.

Klachten UWV

Als u niet goed bent behandeld door het UWV dan kunt u een klacht indienen. Meldt uw klacht bij De Ombudsman via het Klachtenportaal.

Om uw klacht zelf op te lossen kunt u gebruik maken van ons: Stappenplan Klacht indienen bij het UWV

Bezwaar en beroep UWV

Als u het niet eens bent met de hoogte van uw WW-uitkering of u krijgt ten onrechte helemaal geen uitkering, kunt u in bezwaar gaan. Dat doet u door bij het UWV een bezwaarschrift in te dienen. Als het UWV desondanks haar besluit niet wijzigt, kunt u in beroep gaan tegen het besluit bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht. Stelt de rechter u ook in het ongelijk, dan kunt u in hoger beroep gaan bij de Centrale Raad van beroep. Dat is de hoogste rechter in sociale zekerheidsrechtzaken.

Pensioen

Laatst bijgewerkt op: 19-4-2012

 

Naast de AOW kunt u een aanvullend pensioen (pensioenrechten) opbouwen via de pensioenregeling van uw werkgever en via een individuele pensioenvoorziening die u zelf kunt afsluiten.

 

Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit 3 andere peilers: het basispensioen dat u opbouwt via de Algemene Ouderdomswet (AOW), het aanvullend pensioen (pensioenrechten) dat u kunt opbouwen via de pensioenregeling van uw werkgever en de individuele pensioenvoorziening die u zelf kunt afsluiten bijvoorbeeld omdat u zelfstandig ondernemer bent of omdat u (een periode) geen pensioen via uw werkgever opbouwt. Met deze 3 peilers wordt beoogd dat u vanaf uw pensioengerechtigde leeftijd zo’n 70 tot 80% van uw gemiddelde salaris kunt blijven ontvangen.

Pensioenregeling

Het merendeel van de werknemers bouwt via zijn werkgever een aanvullend pensioen (pensioenrechten) op. Als er geen Cao-afspraken zijn en het bedrijf niet verplicht is deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds, kan uw werkgever echter ook besluiten géén pensioenregeling aan te bieden. Als een werkgever een pensioenregeling aanbiedt, dan bent u als werknemer in de meeste gevallen wel verplicht om hieraan deel te nemen.

Pensioenfondsen en verzekeraars
De uitvoering van een pensioenregeling kan worden ondergebracht bij een bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds, een beroepspensioenfonds of bij een verzekeraar. Een bedrijfstakpensioenfonds voert het pensioen uit voor alle werkgevers van een bepaalde branche, terwijl een ondernemingspensioenfonds is verbonden aan een specifieke onderneming. Bij een beroepspensioenfonds kunnen mensen van een specifieke zelfstandige beroepsgroep zich aansluiten. Al deze pensioenuitvoerders staan onder toezicht van de Nederlandse Bank en moeten aan bepaalde vereisten voldoen.

Premie
Als u deelneemt aan een pensioenregeling via uw werkgever betaalt zowel u als uw werkgever een deel van de premie voor dit pensioen. De totale premie bedraagt ongeveer 15% van uw bruto loon. Meestal betaalt u zelf een derde tot de helft van deze premie en de werkgever het overige deel. De premie die u moet betalen wordt ingehouden van uw bruto loon, u betaalt hier geen inkomstenbelasting over en ook niet over het deel van de premie die uw werkgever betaalt. U betaalt wel belasting op het moment dat uw pensioen uitgekeerd wordt.

Opbouw en uitkering
Via deelname aan een pensioenregeling bouwt u in zo’n 35 tot 40 jaar een aanvullend pensioen op. Omdat in de regeling rekening gehouden wordt met het feit dat u ook AOW opbouwt, bouwt u niet over uw gehele salaris pensioen op. Er wordt een bedrag van uw salaris afgetrokken (franchise) en het bedrag dat dan overblijft is uw pensioengrondslag.

In Nederland zijn de meest gangbare pensioenregelingen:

  • Uitkeringsovereenkomst (midden- of eindloonregeling)
  • Premieovereenkomt (beschikbare premie-regeling)

Bij een uitkeringsovereenkomst bouwt u jaarlijks zo’n 2% van uw pensioengrondslag op. Welke pensioenuitkering u vanaf de pensioengerechtigde leeftijd krijgt, hangt af van uw gemiddelde (middenloonregeling) of laatstverdiende (eindloonregeling) loon. Bij een premieovereenkomst daarentegen betaalt u een vast bedrag aan pensioenpremie en op de pensioengerechtigde leeftijd kunt u van de op dat moment beschikbare premie (afhankelijk van het rendement) een pensioenuitkering kopen.

Uniform pensioenoverzicht
Alle pensioenuitvoerders moeten hun deelnemers jaarlijks op eenzelfde wijze informeren over het opgebouwde pensioen. Dat gebeurd door middel van het ‘uniform pensioenoverzicht’.

Het Pensioenregister
Alle pensioenaanspraken staan geregistreerd in het ‘pensioenregister’. U kunt in dit register met een unieke inlogcode ook uw pensioenaanspraken inzien.

Nabestaandenpensioen
Uw eigen pensioen dat u opbouwt heet het ‘ouderdomspensioen’. Daarnaast kan in de pensioenregeling ook een nabestaandenpenioen opgenomen zijn.

Indexatie
Om uw pensioen zijn waarde te laten houden, proberen de meeste pensioenfondsen uw opgebouwde pensioen jaarlijks te indexeren. Het inflatiecijfer of de loonsteiging in de sector kan hiervoor een maatstaf zijn. In sommige jaren kan er echter niet geindexeerd worden, omdat de financiele positie van het pensioenfonds dit niet toelaat.

Waardeoverdracht
Als u van baan wisselt en u krijgt te maken met een pensioenregeling die bij een ander fonds of een andere verzekeraar is ondergebracht, dan kunt u een aanvraag tot waardeoverdracht indienen.

Pensioenwet
In de pensioenwet zijn de rechten en plichten vastgelegd van pensioenuitvoerders, werkgevers en werknemers.

Individuele pensioenverzekering / voorziening
U kunt daarnaast zelf bij een bank of verzekeraar een pensioenverzekering of voorziening afsluiten.

Klachten
Heeft u een geschil met uw pensioenuitvoerder en komt u er niet uit? Dan kunt u het geschil voorleggen aan de Ombudsman pensioenen. U kunt uw klacht beschrijven in een brief en deze samen met kopieën van betrokken documenten sturen aan: De Ombudsman Pensioenen, Postbus 93560, 2509 AN ‘s-Gravenhage. U kunt ook eerst telefonisch informeren of uw zaak zich leent voor bemiddeling door de Ombudsman pensioenen, via tel. 070 333 89 65. Het in behandeling geven van uw geschil is kosteloos.

Arbeidsongeschiktheid

Laatst bijgewerkt op: 24-9-2012

Als u arbeidsongeschikt (geworden) bent kunt u, afhankelijk van uw situatie op dat moment, op grond van de Wet WIA, de Wet Wajong of een particuliere verzekering een uitkering krijgen.

U bent arbeidsongeschikt wanneer u door uw ziekte of handicap niet of nog slechts gedeeltelijk kunt werken. Afhankelijk van het moment waarop en de mate waarin u arbeidsongeschikt geworden bent, zijn er regelingen waarop u aanspraak kunt maken voor een uitkering.

  • Voor werknemers die ziek worden is de werkgever verplicht twee jaar lang tenminste 70% van het loon door te betalen. Wanneer het dienstverband binnen die tijd eindigt, bijvoorbeeld omdat een tijdelijk contact afloopt, bestaat er recht op een ziektewetuitkering. Deze wordt verstrekt door het UWV. Lees meer over:ziekte en re-integratie. Na twee jaar ziekte hebben werknemers mogelijk recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA), de opvolger van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
  • Voor mensen onder de achttien en voor mensen onder de dertig die een studie volgen is er sinds januari 2010 de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), de opvolger van Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
  • Voor zelfstandigen zijn er arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die vrijwillig kunnen worden afgesloten bij het UWV of bij particuliere verzekeraars.

Beoordeling door het Uwv

De uitvoering van deze arbeidsongeschiktheidsregelingen is in handen van het UWV(Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen). Het UWV beoordeelt of u arbeidsongeschikt bent en recht hebt op een uitkering (behalve wanneer u als zelfstandige een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten bij een verzekeraar). In de regel krijgt u eerst een gesprek met een verzekeringsarts en daarna met een arbeidsdeskundige; allebei werken ze bij of voor het UWV.

1. Keuring door de verzekeringsarts

De verzekeringsarts kijkt naar uw gezondheidsklachten en stelt vast of u nog kunt werken, hoeveel u kunt werken en welke beperkingen u daarbij heeft. Het is belangrijk dat u alles wat van belang is vertelt aan de verzekeringsarts. Doe u niet beter voor dan u bent, maar overdrijf ook niet. Geef duidelijk aan welke klachten u heeft en waar u tegen aanloopt.

Na het gesprek kan de arts u nog lichamelijk onderzoeken en eventueel besluiten om informatie in te winnen bij uw behandelaars. U kunt daar zelf ook om vragen. Nadat de arts alle informatie heeft verzameld zal hij beoordelen of u nog kunt werken en zal hij vastleggen welke beperkingen u heeft. De arts vult daarom de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in. Allerlei aspecten met betrekking tot sociaal functioneren, fysieke belasting en psychische belasting komen hier bij aan de orde. Kunt u samenwerken met collega’s of niet, kunt u een uur achtereen staan of is dat wel twee uur? Kunt u 5 kg tillen of 10 kg? Enz. enz.

De verzekeringsarts kan ook beslissen dat u volledig arbeidsongeschikt bent. Dit komt echter niet vaak voor. Kunt u naar het oordeel van de arts nog werken, dan volgt een bezoek aan de arbeidsdeskundige

2. Gesprek met de arbeidsdeskundige

De arbeidsdeskundige stelt ten minste 3 mogelijke beroepen vast die u nog kunt uitvoeren met uw ziekte of handicap. Aan de hand van uw oude loon en het loon in die 3 beroepen wordt beoordeeld of u recht heeft op een uitkering.

Maatmanloon
Eerst wordt vastgesteld wat u per uur had kunnen verdienen als u niet arbeidsongeschikt was geworden, dit heet het maatmanloon. In de praktijk gaat het om het inkomen dat u verdiende vlak voordat u ziek werd.

Restverdiencapaciteit
Vervolgens wordt bekeken wat u nog kunt verdienen, ondanks uw ziekte of handicap. Dat is de restverdiencapaciteit. Het maakt niet uit of u het werk ook in werkelijkheid kunt krijgen. Het zijn bestaande functies, maar geen vacatures.

Arbeidsongeschiktheidspercentage

Met deze twee gegevens wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend. Dit gaat als volgt:
(( Maatman – restverdiencapaciteit ) : maatman) x 100% = arbeidsongeschiktheidspercentage

Voorbeeld 1
Peter Aartsen is timmerman en verdiende daarmee € 18 per uur (maatman). Door rugklachten kan hij zijn werk niet meer doen. Volgens de arbeidsdeskundige van het UWV kan hij nog wel ander werk doen als telefonist, administratief medewerker of als inpakker. Het is allemaal werk waarbij zijn rug minder wordt belast. Met het werk als administratief medewerker kan hij nog €12 per uur verdienen (restverdiencapaciteit). De berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage:
Stap 1: 18 – 12 = 6
Stap 2: 6 : 18 = 0,33
Stap 3: 0,33 x 100% = 33%
Conclusie: Peter is 33% arbeidsongeschikt.

Voorbeeld 2
De chef van Peter Aartsen heeft precies dezelfde rugklachten als Peter en kan ook zijn werk niet meer doen. Als chef verdiende hij meer dan Peter; hij verdiende € 24 per uur (maatman). Net als Peter kan hij nog € 12 per uur verdienen. De berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage:
Stap 1: 24 – 12 = 12
Stap 2: 12 : 24 = 0,50
Stap 3: 0,50 x 100% = 50%
Conclusie: De chef van Peter is 50% arbeidsongeschikt.

Uit deze voorbeelden blijkt dat het vroegere inkomen heel belangrijk is bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, meer nog dan de medische beperkingen.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)

De Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) regelt een uitkering bij arbeidsongeschiktheid voor mensen in loondienst. De Wet WIA vervangt sinds 1 januari 2004 de WAO.

Recht op een WIA-uitkering

De WIA geldt voor mensen die na 1 januari 2004 ziek zijn geworden. Voor een WIA-uitkering gelden onder andere de volgende voorwaarden:

  • U bent verzekerd voor de WIA, bijvoorbeeld omdat u in loondienst werkt of een Ziektewetuitkering ontvangt.
  • U bent twee jaar onafgebroken ziek geweest (de wachttijd). Als eerder duidelijk is dat u volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent, is de wachttijd korter (13-78 weken). Een verkorte wachttijd moet u aanvragen.
  • Minstens 35% arbeidsongeschikt als gevolg van een ziekte of handicap. Mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, worden geacht in dienst te blijven bij de werkgever.

De laatste voorwaarde is in de praktijk doorslaggevend. Wanneer we terugkeren naar het voorbeeld van Peter en zijn chef dan zien we dat Peter geen recht op een WIA-uitkering heeft omdat hij 33% arbeidsongeschikt is en zijn chef wel, want die is 50% arbeidsongeschikt.

Aanvraag

U kunt een WIA-uitkering aanvragen bij het UWV nadat u 20 maanden ziek bent geweest. Het UWV stuurt u hierover een bericht. Met het aanvraagformulier moet u uw reïntegratieverslag meesturen. In het reïntegratieverslag doen werkgever en werknemer verslag over hun activiteiten in de eerste twee ziektejaren. Het UWV gaat na of de werknemer en werkgever voldoende moeite hebben gedaan om weer aan het werk te komen in het eigen werk of in aangepast werk.

De 2 WIA-varianten: IVA en WGA

Binnen de WIA zijn er verschillende soorten uitkeringen. Het soort uitkering is van invloed op de hoogte van de uitkering.

  • de Inkomensregeling Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA)
  • de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)

Inkomensregeling Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA)

De IVA-uitkering bedraagt 75% van uw laatstverdiende loon. Er zijn twee belangrijke voorwaarden voor het ontvangen van een IVA-uitkering:

A. U moet volledig arbeidsongeschikt zijn. Volledige arbeidsongeschiktheid kan op twee manieren worden vastgesteld.

1. De wet beschrijft een aantal situaties waarin u volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. U krijgt dan alleen te maken met de verzekeringsarts.

  • U bent opgenomen in een ziekenhuis of verpleeginrichting (die uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt betaald).
  • U bent bedlegerig.
  • U kunt uzelf niet verzorgen, doordat u een lichamelijk handicap of ziekte hebt.
  • U kunt uzelf niet verzorgen en minimaal geen sociale contacten onderhouden, doordat u een ernstige psychische stoornis heeft

2. Het kan ook zijn dat de arts van mening is dat u mogelijk nog zou kunnen werken en hij dit laat beoordelen door de arbeidsdeskundige. Wanneer deze tot de conclusie komt dat u niet meer dan 20% van uw vroegere inkomen kan verdienen, bent u ook volledig arbeidsongeschikt.

B. U moet ook duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Dat betekent dat uw medische situatie stabiel is of zelfs zal verslechteren. Een ziekte kan ook weer overgaan of minder ernstig worden. Sommige ziekten zijn chronisch en gaan niet meer voorbij of worden ernstiger. U bent in de volgende situaties duurzaam en volledig arbeidsongeschikt:

  • Als er geen kans is op herstel.
  • Als uw medische situatie zal verslechteren.
  • Als er na de wachttijd een kleine kans is op herstel.

Dit laatste (een kleine kans op herstel) wordt regelmatig beoordeeld. U wordt vijf jaar lang ieder jaar gekeurd. Na vijf jaar is meestal duidelijk of u inderdaad volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent. Als dit het geval is, dan blijft u de IVA-uitkering ontvangen.

Regeling Werkhervatting Gedeeltelijke Arbeidsgeschikten (WGA) 
Wanneer u niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent, dan komt u in aanmerking voor de regeling Werkhervatting Gedeeltelijke Arbeidsgeschikten (WGA).

De WGA is er voor twee groepen:

  1. Mensen die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn en dus in de toekomst wellicht kunnen herstellen (en weer werken).
  2. Mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn.

Er zijn drie type uitkeringen:

  • De Loongerelateerde WGA-uitkering. Dit is een arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkering ineen. U komt in aanmerking voor deze uitkering wanneer u de laatste 36 weken voordat u ziek werd, minimaal 26 weken werkzaam bent geweest.  In dat geval heeft u in ieder geval recht op 3 maanden loongerelateerde uitkering. Hoe langer uw arbeidsverleden, hoe langer u recht heeft op deze uitkering. In principe krijgt u voor elk jaar arbeidsverleden een maand uitkering. De maximale uitkeringsduur is 38 maanden. De hoogte van deze uitkering is, zoals de naam al aangeeft, gerelateerd aan uw laatstverdiende loon. De loongerelateerde uitkering is de eerste 2 maanden 75% van uw loon en vanaf de 3e maand 70% van uw loon (met een maximum). Doet u betaald werk naast de uitkering dan mag u van iedere euro die u verdient 30 eurocent houden. Met deze regeling wordt werken gestimuleerd.
  • De Vervolguitkering WGA. Komt u niet (meer) in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering, dan heeft u recht op een vervolguitkering zolang u arbeidsongeschikt bent. De hoogte van de uitkering is een percentage van het minimumloon, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Als u hierdoor onder het sociale minimum komt, dan kunt u een toeslag aanvragen. Dit is geregeld in de Toeslagenwet.
  • De Loonaanvullingsuitkering. Om het werken zoveel mogelijk te stimuleren is de loonaanvullingsuitkering bedacht. Wanneer u naast uw uitkering werkt en daarmee tenminste de helft verdient van wat de arbeidsdeskundige voor u heeft berekend, krijgt u loonaanvullingsuitkering. Deze uitkering is ook gebaseerd op uw oude salaris en dus veel gunstiger dan de vervolguitkering.

Mogelijke aanvullingen op de uitkering

Wanneer uw inkomen lager is dan het voor u geldende sociale minimum (beneden de bijstandsnorm), kunt u bij het UWV een toeslag op uw uitkering aanvragen. In dat geval wordt wel gekeken naar het inkomen van een partner.
U kunt ook een toeslag op de WIA-uitkering krijgen als u hulpbehoevend bent. Het UWV kent deze toeslag niet automatisch toe, u moet dit apart aanvragen. U komt voor deze toeslag in aanmerking als u blijvend hulpbehoevend bent en daardoor “geregeld oppassing en verzorging’ nodig heeft.

Einde van de WIA

De WIA stopt o.a.

  • als u 65 jaar wordt, u krijgt vanaf dat moment immers een Aow-uitkering
  • nadat u minder dan 35% arbeidsongeschikt raakt
  • als u gedetineerd bent
  • als u niet in Nederland woont*

* U kunt wel een WIA-uitkering krijgen als u woont in de Nederlandse Antillen, Aruba of een land waar Nederland een verdrag mee heeft afgesloten. De lijst van verdragslanden is bekend bij het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid.

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Iedereen die voor 2004 al een uitkering ontving op basis van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO), blijft deze gewoon ontvangen. Wel zijn veel WAO-ers opnieuw gekeurd volgens strengere regels. Deze herbeoordelingsoperatie vond plaats tussen 2004 en 2008.

Recht op WAO

Voor een WAO-uitkering gelden de volgende voorwaarden:

  • U bent verzekerd voor de WAO
  • U bent minstens 15 % arbeidsongeschikt als gevolg van een ziekte of handicap
  • U bent langdurig arbeidsongeschikt

De hoogte van de WAO is maximaal 75% van het laatstverdiende loon. De WAO heeft zeven invaliditeitsklassen. Daarbij hoort een uitkering die een percentage is van wat u vroeger verdiende.

% van arbeidsongeschiktheid uitkeringspercentage
15 % tot 25 % 14 %
25 % tot 35 % 21 %
35 % tot 45 % 28 %
45 % tot 55 % 35 %
55 % tot 65 % 42 %
65 % tot 80 % 50,75 %
80 % tot 100 % 75 %

Afhankelijk van de leeftijd waarop u in de WAO bent gekomen, duurt deze uitkering maximaal 6 jaar. Daarna ontvangt u een vervolguitkering; deze is niet langer gebaseerd op het loon dat u vroeger verdiende, maar wordt gebaseerd op het minimumloon.

Einde van de WAO

De WAO stopt onder andere wanneer:

  • U 65 jaar wordt
  • U minder dan 15% arbeidsongeschikt bent

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong)

De ‘nieuwe Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten’ (Wet Wajong) is ingegaan op 1 januari 2010 en vervangt de ‘oude Wajong’.

Recht op Wajong

Je kunt een beroep doen op de Wet Wajong wanneer je:

  • Arbeidsongeschikt bent op het moment dat je 17 jaar wordt.
  • Langer dan zes maanden studeert of stage loopt en arbeidsongeschikt raakt (je moet dan wel jonger zijn dan 30 jaar).

De overige voorwaarden zijn:

  • Je herstelt waarschijnlijk niet binnen 1 jaar volledig van je ziekte of handicap.
  • Je woont in Nederland.
  • Je kunt in een aanééngesloten jaar minder dan 75% van het minimum(jeugd)loon verdienen door je langdurige ziekte of handicap.

Aanvraag

Ben je op je 17de arbeidsongeschikt? Dan kun je vanaf je 18de verjaardag een Wajong-uitkering ontvangen. Je moet daarvoor 4 maanden vóór je 18de verjaardag een aanvraag indienen bij het UWV.
Ben je (voor je 30ste) tijdens je studie arbeidsongeschikt geraakt? Dan kun je vanaf 1 jaar na het begin van je ziekte een Wajong-uitkering ontvangen. Je moet daarvoor 6 maanden nadat je je ziekte of handicap kreeg een aanvraag indienen bij het UWV.

De beoordeling door het UWV (inclusief de beoordeling door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige) duurt maximaal 14 weken. Het UWV kan de aanvraag toekennen of afwijzen. Als de Wajong-aanvraag wordt toegekend, kan het UWV de volgende beslissingen nemen:

  1. Je kunt met enige ondersteuning (gedeeltelijk) werken
  2. Je kunt met enige ondersteuning naar school of studeren
  3. Je kunt nu niet werken, maar in de toekomst mogelijk wel
  4. Je kunt nu niet werken en in de toekomst ook niet

Hulp en uitkering

Afhankelijk van deze beslissingen krijg je ondersteuning en een Wajong-uitkering. Een Wajong-uitkering bedraagt maximaal 75% van het minimum(jeugd)loon. Als je werkt, wordt je inkomen (gedeeltelijk) verrekend met je uitkering.

  1. Als je met ondersteuning gedeeltelijk kunt werken krijg je een arbeidsdeskundige van het UWV WERKbedrijf toegewezen. Deze gaat samen met jou een plan opstellen om te bepalen wat voor werk je zou kunnen doen en welke hulp je nodig hebt om werk te vinden en te houden. Daarnaast krijg je een Wajong-uitkering. Zolang je geen werk hebt krijg je een volledige Wajong-uitkering, maar als het UWV vindt dat je niet voldoende je best doet om werk te vinden, kan je uitkering worden verlaagd naar 55% van het minimum(jeugd)loon.
  2. Als je naar school gaat, studeert of van plan bent om dit te gaan doen krijg je een arbeidsdeskundige van het UWV WERKbedrijf toegewezen. Deze gaat samen met jou een plan opstellen over de opleiding die je volgt of gaat volgen en welke ondersteuning je bij je opleiding nodig hebt. Als je recht hebt op studiefinanciering of een tegemoetkoming scholieren, of als je ouders nog recht hebben op kinderbijslag, dan is je Wajong-uitkering 25% van het minimum(jeugd)loon. Zolang je dit niet krijgt, krijg je een volledige Wajong-uitkering. Na het afronden van de opleiding bekijk je samen met de arbeidsdeskundige wat je verder gaat doen.
  3. Als je nu niet kunt werken maar in de toekomst mogelijk wel met ondersteuning (gedeeltelijk) weer kunt werken, krijg je voorlopig een volledige Wajong-uitkering en wordt er ook alvast een arbeidsdeskundige van het UWV WERKbedrijf toegewezen. Deze gaat samen met jou een plan opstellen om te bepalen wat voor werk je zou kunnen doen en welke hulp je nodig hebt om werk te vinden en te houden.
  4. Als je nu niet kunt werken en in de toekomst ook niet, dan krijg je een volledige Wajong-uitkering toegewezen.

Einde Wajong

De Wajong-uitkering stopt o.a. wanneer:

  • je langer dan een jaar meer dan het minimum(jeugd)loon verdiend hebt en  geen hulp bij je werk meer nodig hebt
  • je 5 jaar hebt gewerkt en daarna meer dan 75% van het minimum(jeugd)loon verdient en geen hulp bij je werk meer nodig hebt
  • je 65 wordt (dan krijg je een Aow-uitkering)
  • je gedetineerd bent
  • je naar het buitenland verhuist
  • je de afspraken niet nakomt
  • na herkeuring blijkt dat je niet langer arbeidsongeschikt bent

De ‘oude Wajong’ (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten)

De ‘oude Wajong’ blijft bestaan voor iedereen die voor januari 2010 al een Wajong-uitkering kreeg en voor iedereen die voor deze datum een Wajong-uitkering heeft aangevraagd en daar ook recht op heeft. Ook als u voor januari 2010 een Wajong-uitkering ontving, maar deze is tijdelijk stopgezet, kunt u als uw gezondheid verslechterd weer volgens de oude voorwaarden een Wajong-uitkering krijgen.

Op basis van de ‘oude Wajong’ krijg je een uitkering wanneer je:

  • Arbeidsongeschikt bent op het moment dat je 17 jaar wordt.
  • Langer dan zes maanden studeert of stage loopt en arbeidsongeschikt raakt (je moet dan wel jonger zijn dan 30 jaar).

Net als bij de Wet WIA beoordeelt het UWV of je arbeidsongeschikt bent door middel van een keuring. Je kunt van het UWV één van de volgende beslissingen krijgen:

  • Je bent volledig arbeidsongeschikt
  • Je bent gedeeltelijk arbeidsongeschikt
  • Je bent niet arbeidsongeschikt

De hoogte van de Wajong-uitkering hangt af van je leeftijd en van de mate waarin je arbeidsongeschikt bent. De uitkering is maximaal 70% van het minimum(jeugd)loon.

Klachten over het UWV

Als u niet goed bent behandeld door het UWV, de verzekeringsarts of de arbeidsdeskundige kunt u een klacht indienen. Meldt uw klacht bij De Ombudsman via het Klachtenportaal.

Om uw klacht zelf op te lossen kunt u gebruik maken van ons: Stappenplan Klacht indienen bij het UWV

Bezwaar en beroep tegen het UWV

Bent u het niet eens met een besluit van het UWV, dan kunt u een bezwaarprocedure starten. Als het UWV desondanks haar besluit niet wijzigt, kunt u in beroep gaan tegen het besluit bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht. Stelt de rechter u ook in het ongelijk, dan kunt u in hoger beroep gaan bij de Centrale Raad van Beroep. Dat is de hoogste rechter in het sociale zekerheidsrecht.

Algemene ouderdomswet

Laatst bijgewerkt op: 19-4-2012

 

De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt het pensioen op minimumniveau dat door de overheid wordt uitgekeerd aan mensen vanaf 65 jaar. Er gelden specifieke regels voor het ontvangen van dit pensioen en de hoogte daarvan.

 

Opbouw

De AOW is een zogenaamde opbouwverzekering. Dit betekent dat u in 50 jaar (van uw 15de tot uw 65ste jaar) een volledig Aow-pensioen kunt opbouwen. Voor ieder jaar dat u verzekerd bent bouwt u 2% pensioen op (50 x 2% = 100%). U bent verzekerd als u in Nederland woont of werkt. U krijgt dus vanaf uw 65ste een volledig AOW-pensioen als u tussen uw 15de en uw 65ste onafgebroken verzekerd bent geweest.

Uitkering

Uw AOW gaat in vanaf de dag waarop u 65 jaar wordt. Mocht u een uitkering hebben (bijvoorbeeld een bijstandsuitkering, werkloosheidsuitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering), dan eindigt deze op de dag dat u 65 jaar wordt. Als u in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, dan krijgt u een half jaar voor uw 65ste verjaardag een brief van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)opgestuurd. Daarin staat dat u een aanvraag moet indienen om AOW te ontvangen, via www.svb.nl of per post. De Sociale Verzekeringsbank beslist over uw aanvraag voor AOW. De AOW wordt maandelijks uitbetaald, en u krijgt één keer per jaar (in mei) vakantiegeld.

Hoogte

De hoogte van de AOW is een percentage van het netto-minimumloon. Dit percentage is afhankelijk van uw gezinssamenstelling.

  • Voor een alleenstaande is de AOW ongeveer 70% van het netto-minimumloon
  • Voor een eenoudergezin is de AOW ongeveer 90% van het netto-minimumloon
  • Voor een (echt)paar (beiden 65 jaar of ouder) is de AOW voor ieder 50% van het netto-minimumloon*

* Als u al 65 jaar bent maar uw partner nog niet, dan krijgt u een AOW-uitkering van maximaal 50% van het netto-minimumloon. Uw partner krijgt dit niet. Naast de Aow krijgt u daarom een toeslag. Deze toeslag is maximaal even hoog als uw AOW, dus ook 50% van het netto-minimumloon. Heeft uw partner inkomen dan kan dat van invloed zijn op de toeslag. Inkomen uit vermogen (rente) heeft geen invloed, het inkomen uit arbeid is voor een gedeelte vrijgesteld.

Let op!
Wordt u op of na 1 januari 2015, 65 jaar en is uw partner dan nog geen 65, dan kunt u geen toeslag meer krijgen.

Korting

Voor ieder jaar dat u niet in Nederland heeft gewoond, krijgt u 2% minder pensioen. Dit heet een ‘korting’.

 

Algemene nabestaandenwet

Laatst bijgewerkt op: 19-4-2012

 

De Algemene nabestaandenwet (Anw) regelt de nabestaandenuitkering en de halfwezen- of wezenuitkering.

De Anw biedt een inkomensverzekering bij het overlijden van uw echtgeno(o)t(e) of de persoon waarmee u samenwoonde. Daarnaast biedt de Anw een wezenuitkering voor minderjarigen van wie beide ouders overleden zijn of een halfwezenuitkering voor minderjarigen van wie één van de ouders overleden is. De Anw is een inkomensvoorziening op minimumniveau en wordt afgeleid van het netto minimumloon. Om Anw te kunnen krijgen, moet de overledene verzekerd zijn geweest voor de Anw. Dit betekent dat de overledene in Nederland moet hebben gewoond of gewerkt.

Nabestaandenuitkering

U heeft recht op een nabestaandenuitkering als uw partner is overleden en u aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

  • U heeft een kind onder 18 jaar dat bij u woont.
  • U bent zwanger.
  • U bent tenminste 45% arbeidsongeschikt voor 3 maanden of langer.
  • U bent geboren vóór 1 januari 1950.

Hoogte

De nabestaandenuitkering is maximaal 70% van het minimumloon en is afhankelijk van uw inkomen. Een WIA- WAO- of WW-uitkering wordt geheel afgetrokken van de nabestaandenuitkering. Er geldt een vrijstelling voor inkomen uit arbeid, vervroegd pensioen en bovenwettelijke aanvullingen van de (ex)werkgever. Ook als uw ex-partner, waarvan u alimentatie ontving, overleden is heeft u mogelijk recht op een Anw-uitkering.

Duur

De nabestaandenuitkering eindigt altijd als u 65 jaar wordt, hertrouwt of gaat samenwonen. De nabestaandenuitkeringeindigt in de meeste gevallen ook als uw jongste kind 18 jaar wordt of tot het huishouden van een ander gaat behoren en als u niet meer arbeidsongeschikt bent.

Wie voor 1 juli 1996 recht had op een AWW-pensioen (voorganger van de Anw), valt sinds die datum onder de Anw. Ook voor deze nabestaanden geldt een inkomenstoets en eindigt de uitkering als u gaat samenwonen of trouwen. Wel gelden er overgangsmaatregelen.

Aanvraag

U vraagt een nabestaandenuitkering aan bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in de regio waar u woont. U kunt de aanvraag ook via Internet doen.

(Half)Wezenuitkering

Zijn beide ouders overleden, dan krijgt een wees onder de 16 een wezenuitkering. Is de wees 16 jaar of ouder dan is er recht op wezenuitkering als de wees:

  • studeert (tot 21);
  • het huishouden verzorgt (tot 21);
  • arbeidsongeschikt is (tot 18).

Een halfwees is een kind dat één van beide ouders heeft verloren. U krijgt een halfwezenuitkering als:

  • U de ouder bent van een halfwees.
  • U een halfwees in uw huishouden onderhoudt.

Hoogte

De hoogte van de wezenuitkering verschilt per leeftijd en is niet afhankelijk van het overige inkomen. De halfwezenuitkering bedraagt 20% van het netto minimumloon en is niet afhankelijk van uw inkomen als ouder of verzorgende.

Duur

De halfwezenuitkering stopt als:

  • Het jongste kind 18 jaar wordt of tot het huishouden van een ander gaat behoren.
  • De ouder of verzorger een één-ouderpensioen gaat ontvangen op grond van de AOW.
  • Een nieuwe partner van de nabestaande het kind adopteert.

Aanvraag

U vraagt een (half)wezenuitkering aan bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in de regio waar u woont. U kunt de aanvraag ook via Internet doen.